Verkenner
Mijn handen tasten stelselmatig een oppervlak af,
en geven hun bevindingen door. Streel altijd met de splinters mee
zo is mij geleerd. Binnendringend
woelen ze het vlees om, persen het omhoog.
Ik strek mijn arm en raak ternauwernood
de randen. Volg de nerven.
Veeg je vingers niet af aan je mond,
slik niet door wat je proeft.
Spion
Hij laat zijn ogen walsen in hun kassen.
Tets zijn tong, die zich balt tegen het plafond
van zijn mond. Tastend als een blind dier. Lager.
De smaak van ijzer. Zijn tanden intact en kiezelglad.
Hij verbergt zijn gezicht achter een scherm
van handen, vlechtwerk van vingers, de kieren
laten licht door maar geen projectielen.
Alleen het vangnet van zijn blik.
Witte huizen
Donkere mannen schaven
de schubben van een palmboom.
Rond de voet van de stam
dwarrelt bast. Zout bijt
de barbieren van de palmboom.
Als de wind oplaait
trekken ze zich terug
in witte huizen,
landinwaarts.
Alles rustig
In de bergen zijn geen delinquenten.
De man met de sympathieke waakhond lacht.
Alleen bliksem in de zomer en droog naaldhout.
Geen brandstichters hier. Alleen een stuwmeer
om ’s nachts het huis te verlichten.
Het is rustig in de bergen. De honden blaffen
alleen naar elkaar. In de lente worden ze gek.
|