Willem Thies

Thies

Agenda

Publicaties

Werk in
wording

De Pers

Audiovisueel

Links

E-mail

©

 

 

 

 

 

 

 

De zekerheid van de zee                                       voor Gerrit Komrij

De hitte achter mijn ogen. De regen achter de serreruiten. Flinterregen.
Het landschap een verwilderde tuin, de weg leeg en laag in het optorenend
groen. Het kind in bad. Zingend. De vrouw met de handdoek,
de vrouw die jouw dood met mij deelde, op het drooggevallen strand.
 
Het tussenland was breed en verlaten, ik was tot de donkere rotsen gelopen,
tot bij een poel afgesneden van het moederwater. Een krabbetje kroop
achter een steen en wachtte tot de zee hem zou ontzetten.
Ik keerde terug en hoorde het. Dood.

Maar je stem suste het tumult in mijn hoofd, de druk
op mijn borst, het koude vel. In schuine regels valt de zee.
De luchten stromen vol met stervensoud water.


Wiegeliedje

Onze ogen klappen open en de dag valt naar binnen.
Een ondier kruipt door de kamer, de kat slaapt op een stapel
dozen. De auto roest onder de voeten van de kinderen.
Een man schakelt het zonlicht uit en blaft sigarettenrook.
Kartelige vogels tussen het getakte. Een gewiekste ekster
snaait een ei. De jager, te gast, roert in zijn koffie, wiegt
zijn wapen.


Het einde van de gang

Niets dient zich nog aan. Niet de vingers,
niet de hand - de bevlieging zélf is stram geworden.

In het late lamplicht wikt iemand zijn taal.

De kruiperige inkt dikt in, het papier smaalt
in de diepte. De dichter verbijt zijn schroom
de spierwitte schrik van de veteraan.

Niets wrikt zijn blik nog los.


Indringer

De schuiven van je ogen zijn opengebroken
door het daglicht. Je dacht aan iets schitterends.
Je dacht er te laat aan. Het litteken tussen je oren
zag ik aan voor een glimlach. Het gras is te hoog.

Ik zal doen of je de eerste was.

Donker onze gezichten, dierlijk geschminkt, ik zal
bloeden tot mijn hoofd helder is.